Preek Ds. G. Ruiterkamp

Preek Ds. G. Ruiterkamp

Horssen en Druten, 1-10-2017

 

Mt. 21:32-32

 

 

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Aan Jezus wordt gevraagd vanuit welke bevoegdheid hij de dingen doet die hij doet.

Aanleiding tot die vraag is de zgn. tempelreiniging:

Jezus heeft in zijn woede de tafels en de stoelen van de geldwisselaars en de duivenverkopers omgegooid en in zijn liefde voor het kwetsbare een groot aantal genezingen in de tempel verricht.

 

Tekenen van belofte zijn het die Jezus daar stelt,

maar tegelijk kritische daden:

in zijn ogen is de tempel verworden tot een rovershol en is haar taak een gebedshuis te zijn ondergesneeuwd onder de commercie.

 

De vraag die Jezus gesteld wordt naar zijn bevoegdheid is er dan ook één waarin allerlei emoties meespreken:

verwachting misschien, maar ook angst en zeker ook boosheid – wat verbeeldt hij zich wel!

 

Toch krijgen de vragenstellers geen antwoord. Net zo min als wij.

En dat is een reden dat ook wij niet te gauw met een antwoord als ‘hij is toch Gods zoon’ of een andere legitimatie moeten komen.

 

Geen antwoord, maar wel een tegenvraag,

één die de vraagstellers terug moet brengen bij een eigen antwoord.

Die tegenvraag, die naar de bevoegdheid van de doop door Johannes,

(“was dat uit de hemel of uit de mensen?”)

zet aan tot zelf nadenken en tot een persoonlijk antwoord.

Het gaat nu niet meer om de vraag “mag jij dat wel doen in de tempel?”,

maar om de vraag hoe de hemel (Gods domein) en de aarde (ons domein) zich tot elkaar verhouden.

 

De vraagstellers hebben Jezus’ tegenvraag goed begrepen,

want in hun overwegingen wat te antwoorden klinkt het woord “profetie”.

En juist dàt is het terrein waar Israël altijd geworsteld heeft met de vraag “komt wat deze profeet zegt van God of is het uit de mensen?”

Om ‘ware’ of ‘valse’ profetie ging het; welke woorden zijn betrouwbaar en welke leiden op een dwaalweg.

 

Of anders geformuleerd, zoals de onlangs overleden Harry Kuitert zei:

‘komt alle spreken over “boven” uiteindelijk niet van “beneden”?’

 

Toegespitst op onze lezing:

is de weg van de gerechtigheid die vervuld moet worden,

de weg waarover Jezus en Johannes met elkaar spraken bij Jezus’ doop,

een goddelijke weg of uiteindelijk een menselijke weg?

 

De tegenvraag van Jezus verdiept niet alleen het denken,

maar het houdt ook de vraag naar een hemelse bevoegdheid open.

En dáár, in het open-houden van die vraag, kon wel eens de kern liggen,

voor de tempelleiders van die tijd

én voor mensen van nu.

 

Waartoe het niet-openhouden van die vraag, het dicht timmeren met zekerheden, kan leiden weten we:

uitsluiting van Joden als gods-moordenaars, kettervervolgingen

en een zó massief Jezus-beeld in de theologie dat daardoor het zicht op God belemmerd wordt.

Dàt was ook de reden waarom Kuitert zo stug volhield, tegen alle kerkelijke zekerheden in, dat “alle spreken over boven van beneden komt”

en dat het gaat om het geleefde geloof hier op aarde.

Geen goddelijke legitimatie, maar gewoon de vraag “jongen/meisje, ga werken in mijn wijngaard”.

 

Dat open-houden is fundamenteel en daar gaat het ook over in een midrasj:

Een groep rabbi’s discussieert hevig over de betekenis van een bijbelwoord.

Als één van de rabbi’s het onderspit dreigt te delven onder de argumenten van de anderen schiet een hemelse stem deze rabbi te hulp.

De gesprekspartners echter, ook hij die een minderheidsstandpunt inneemt,

antwoorden de hemelse stem dat die zich niet met de discussie moet bemoeien:

‘Wij slaan geen acht op hemelse stemmen’, is hun antwoord,

‘de Tora is immers aan mensen gegeven, en de interpretatie daarvan is sindsdien ook een menselijke zaak. Niemand kan zich verschuilen achter een goddelijk woord.’

Heel fijnzinnig vertelt de midrasj verderop dat de Heilige (gezegend-zij-hij) zeer ingenomen was met dit antwoord van zijn kinderen.

 

De vraag waar ze zich zo druk over maakten lag dus open.

 

Maar loop je zo, als alle vragen open liggen, niet het gevaar dat je dan ook alles relativeren kunt tot er niets meer over is?

Een vraag die regelmatig terug komt

waar oude geloofsvoorstellingen dreigen onderuit te gaan

en mensen genoodzaakt zijn op zoek te gaan naar nieuwe oriëntatie.

 

Misschien heeft Matteüs met het oog dáárop wel de korte gelijkenis over de vader met zijn twee zonen toegevoegd aan het gesprek over Jezus’ bevoegdheid.

Twee zonen, waarvan de één “ja” zegt en het niet doet

en de ander “néé” zegt en het wél doet.

Want antwoord geef je niet door je te verschuilen achter een hemels gezag of achter mooie woorden,

maar antwoord geef je door in geloof/vertrouwen op weg te gaan,

zonder te weten waar je terecht zult komen.

 

De vraag is dan ook of Jezus met deze gelijkenis een onderscheid heeft willen maken tussen degene die uiteindelijk toch doet wat de vader vraagt, en degene die “ja” zegt en dat “ja” niet waar maakt.

 

Want op het antwoord van de overpriesters en de oudsten,

‘de laatste’, gaat Jezus bevestigend nog ontkennend in.

Nee, hij komt met het beeld van de tollenaars en de hoeren die voorgaan in Gods Koninkrijk.

 

Ik denk dat Jezus ons hier een spiegel voorhoudt: ‘kijk eens naar jezelf,

hier gaat het over jouzelf’.

Want altijd weer zijn we met onszelf in tegenspraak:

ons ‘ja’ is niet altijd ‘ja’, en ons ‘nee’ niet altijd ’nee’.

 

Waaraan willen wij gemeten worden?

Aan onze mooie woorden, onze lege beloftes?

Of aan onze daden?

En wanneer wordt onze dadendrang tot dadendwang: ‘ik doe goed en dat moet God toch wel waarderen!?’

 

Volgens Jezus lukt het ons mensen niet met woorden en ook niet met daden.

En wàt lukt dan niet?

Dit: de juiste verhouding vinden tot jezelf, tot de ander èn tot de Ander (met een hoofdletter).

 

Je kunt je vergissen, in jezelf én in anderen.

Soms lijkt een mens vroom:

hij of zij komt regelmatig in de kerk en roept ‘Heer, ontferm U!’,

maar in de wijngaard van de Heer wordt geen hand uitgestoken.

Of soms lijkt een mens zich niets van God en zijn gebod aan te trekken,

maar duikt die opeens op in de wijngaard.

 

Hard klinkt het dan ook dat Jezus van ècht slechte mensen,

tollenaars en hoeren (de echte schurken in Jezus’ tijd),

zegt dat zij vóór zullen gaan .

Waarom? Omdat zij niets hebben om zich op te laten voorstaan:

geen goede woorden én geen goede daden.

 

En juist zij waren het die eerder al naar Johannes

en later naar Jezus toe kwamen.

Juist die mensen die zich niet mooier of beter voor konden doen

dan ze waren,

juist zij voelden de echtheid in de woorden van Johannes en in het optreden van Jezus,

zij ervaarden daarin Gods bewogenheid om mensen.

 

En terwijl de anderen met hun ‘ja’ of hun ‘nee’ langs God heen lopen,

is de Ander (met een hoofdletter) juist op zoek naar hen die zich nergens op kúnnen voorstaan.

Juist zij erkennen:

als ik niets meer heb om me sterk in te voelen, wil hij mijn sterkte zijn.

 

“Een vader had twee zonen”.

Wat opvalt in dit beeld is het ontbreken van de derde zoon, de ware zoon, wiens woorden en daden wèl met elkaar overeenstemmen.

Die derde zoon, die ook ons zeggen en doen richting wil geven,

die wij ‘onze Heer’ mogen noemen,

en die wij in onze Maaltijdviering gedenken,

die ook ons zoekt en in de tekens van brood en wijn kracht wil geven om trouw te werken in Gods wijngaard.

Amen.

 

Gerrit Ruiterkamp

Verbinding

Samen zoeken naar sporen van God en geïnspireerd er gestalte aan geven door met elkaar een uitnodigend thuis te vormen.

 

Agenda

zo sept 23 @10:00AM -
3bij1 Eredienst Druten (regio Midden)
zo sept 30 @ 9:30AM -
Eredienst Bergharen
zo sept 30 @ 9:30AM -
Eredienst Horssen
zo sept 30 @11:00AM -
Eredienst Druten
zo okt 07 @ 9:30AM -
Eredienst Druten
zo okt 07 @ 9:30AM -
Eredienst Bergharen
zo okt 07 @11:00AM -
Eredienst Horssen
zo okt 14 @ 9:30AM -
Eredienst Bergharen
zo okt 14 @ 9:30AM -
Eredienst Horssen (koffie na)
zo okt 14 @11:00AM -
Eredienst Druten
Copyright © 2018 Streekgemeente Maas en Waal. Alle rechten voorbehouden.
Joomla! is vrije software uitgegeven onder de GNU/GPL Licentie.

Copyright © 2013. All Rights Reserved.